Nieuwe kerndoelen zijn nog geen nieuw curriculum

Bob Coenraats: ‘We moeten scholen leren een eigen praktijk te ontwikkelen, niet leentjebuur te spelen’ 

Scholen krijgen nieuwe kerndoelen. Maar wat moet je veranderen als je niet precies weet welk curriculum je nu hebt?
Precies daar ziet Bob Coenraats een belangrijke valkuil. Nieuwe doelen leiden niet vanzelf tot beter onderwijs. Net zo min als een nieuwe interventie, een studiedag of meer toetsen dat doen.
 

Coenraats is onderwijsadviseur bij CPS en opgeleid in taalfilosofie en wetenschapsanalyse. Hij houdt zich onder meer bezig met taalontwikkeling en taalgericht vakonderwijs. Om zelf te ervaren wat werkt, staat hij ook regelmatig voor de klas. 

“Wat hebben scholen? Ze hebben een methode en in de methode zit het curriculum gebakken”, zegt hij. “Wat moet je veranderen als je niet eens precies weet wat je eigenlijk had?” 

Taal op één, maar kijk verder dan lezen 

Aanleiding voor het gesprek is zijn kritische blog over de Versterkingsagenda. Dat taal daarin nadrukkelijk prioriteit krijgt, vindt Coenraats juist positief. Wel is hij kritisch op de manier waarop verschillende basisvaardigheden bij elkaar worden gebracht en op de sterke focus op lezen. 

“Lezen bouwt voort op wat mondeling al aanwezig is, en juist daar wordt maar weinig op ingezet.”
Als we willen dat leerlingen tot diep tekstbegrip komen, moeten we volgens Coenraats investeren in de gesprekken en concepten die daaraan voorafgaan en daaraan parallel lopen. Praten en luisteren zijn geen bijzaak van leesvaardigheid, maar de motor erachter. 

En dan gaat het niet alleen over een presentatie geven. Juist in gesprekken ontwikkelen leerlingen taal: door naar elkaar te luisteren, te reageren en hun gedachten onder woorden te brengen. 

In veel lessen ziet Coenraats iets anders. De docent stelt een vraag, één leerling antwoordt en de docent vertelt of het antwoord klopt. Hij noemt dit het ‘zonnestralenpatroon’.
“Zodra de beurt naar één van die leerlingen gaat, stopt de rest van de kinderen met denken en met communiceren.” 

Daar is veel te winnen. Door leerlingen juist met elkaar te laten uitwisselen, moeten meer leerlingen actief nadenken én taal gebruiken. 

‘Wil je me die guts aangeven?’ 

Hoe klein zo’n verandering kan zijn, zag Coenraats bij een docent houtbewerking die hij begeleidde bij taalgericht vakonderwijs. De docent dacht aanvankelijk aan extra teksten en materialen om meer aandacht aan taal te besteden. 

Tijdens een les hoorde Coenraats een leerling aan een klasgenoot vragen: ‘Wil je me dat ding daar even aangeven?’
Zijn voorstel: spreek af dat leerlingen precies benoemen wat ze bedoelen. Niet ‘dat ding’, maar ‘die guts’. 

“Dan zie je in korte stappen een enorm verschil. Als jij straks op een bouwplaats bent of in een atelier aan het werk bent, dan heb je die precieze woorden niet voor niets.” 

Precies daar kan taalontwikkeling plaatsvinden: midden in het vak en gekoppeld aan inhoud die voor leerlingen betekenis heeft.
“Hier zit de winst echt veel meer in een docent die zich bewust is van de impact van de communicatie in het vak.” 

Niet voor ieder probleem meteen een oplossing zoeken 

Het voorbeeld raakt aan een groter punt. Coenraats ziet dat scholen bij een probleem vaak snel op zoek gaan naar een passende interventie. Tegenvallende leesresultaten? Zoek een aanpak, organiseer een studiedag en ga ermee aan de slag. 

“Dan krijg je: we hebben een probleem, we gaan zoeken naar een soort oplossing, we doen een studiedag waarin we dat leren en dan gaan we dat in praktijk brengen. En vijf jaar later is er niks veranderd.” 

Hij pleit voor een andere aanpak: dichter bij de lessen, dichter bij de ontwikkeling van leerlingen en vooral meer onderzoekend.
Dat betekent niet dat onderzoek en evidence-informed werken minder belangrijk worden. De vraag is wat een school met die kennis doet. 

“Als je geen onderzoekende houding hebt, dan kun je weliswaar een evidence-informed praktijk of techniek toepassen, maar kun je hem nooit passend maken aan je eigen context.” Daarom moeten scholen niet simpelweg kopiëren wat elders succesvol lijkt. 

“We moeten scholen leren hoe ze op basis van bestaande kennis een eigen praktijk ontwikkelen en niet leentjebuur spelen op een praktijk.” 

Kerndoelen veranderen niet vanzelf wat er in de klas gebeurt 

Diezelfde waarschuwing heeft Coenraats bij de nieuwe kerndoelen. Over de inhoud daarvan is hij niet negatief.
“Er zitten prachtige dingen in de nieuwe doelen. Daar is echt een kwaliteitsslag gemaakt wat mij betreft.” 

Maar hij waarschuwt voor de verwachting dat nieuwe doelen automatisch tot beter onderwijs leiden.
“We krijgen eigenlijk geen nieuw curriculum. We krijgen nieuwe curriculaire doelen.” 

Om daar goed mee aan de slag te gaan, moeten scholen eerst weten wat ze nu doen. Welke inhoud bieden we aan? Waarom doen we dat? Hoe hangen vakken en leergebieden samen? En welke keuzes maken we zelf? 

Als het antwoord vooral in de methode zit, is het lastig om vanuit nieuwe kerndoelen bewuste keuzes te maken.
“Er moet echt veel meer besef komen van de ruimte en de invloed die je hebt om je eigen curriculum vorm te geven en je eigen keuzes te maken, en minder methodeafhankelijk te worden.” 

Ook onderwijsadviseurs moeten naar hun eigen rol kijken 

Dat vraagt iets van scholen, maar ook van de organisaties die hen ondersteunen. 

Coenraats ziet daar een ongemakkelijk mechanisme. Een school vraagt bijvoorbeeld om één studiedag. Een onderwijsadviesbureau weet dat duurzame verandering waarschijnlijk meer vraagt. Maar wie de opdracht weigert, loopt het risico dat een andere aanbieder hem wel aanneemt. 

“Als jij zegt: we doen het eigenlijk niet in die constructie, en je zegt nee, dan gaan ze gewoon naar iemand anders. Want er is altijd wel iemand die er wel ja op zegt.” 

Vaak is de gedachte: we beginnen met die vraag en proberen van daaruit de school verder te helpen. Goed bedoeld, maar niet zonder risico. “Eigenlijk houden we daarmee ook een praktijk in stand die niet helpend is.” 

Coenraats legt dat niet alleen bij individuele adviseurs. Ook de manier waarop onderwijsadvies is georganiseerd speelt mee. Scholen moeten zelf bepalen welke begeleiding goed is, terwijl het voor een opdrachtgever lastig kan zijn om de kwaliteit vooraf volledig te beoordelen. 

Binnen Onderwijsontwikkeling Nederland wordt al gewerkt aan afspraken over de kwaliteit van curriculumbegeleiding. Coenraats ziet dat als een goede stap vanuit de sector, maar vindt dat ook de overheid verantwoordelijkheid moet nemen voor de kwaliteit van onderwijsbegeleiding. 

‘Hou voeling met die echte praktijk’ 

Wat kan een onderwijsadviseur zelf doen? Voor Coenraats begint het bij één ding: zorg dat je weet wat je advies in de dagelijkse schoolpraktijk betekent. 

Zelf stond hij het afgelopen jaar regelmatig als filosofieleerkracht voor groepen in het basisonderwijs om dialogische lessen en spreek- en luisterstrategieën in de praktijk uit te voeren. “Ik vond: als je bepaalde strategieën voor spreek- en luistervaardigheid gaat aanleren aan leerkrachten, moet je ze op zijn minst zelf ook in de vingers hebben.” 

Want adviseren heeft een kwetsbare kant. “Een van de grootste manco’s van advies, consultancy of training is dat je heel weinig zelf echte verantwoordelijkheid draagt voor wat je doet.” 

Een aanpak kan op papier goed klinken. In een echte klas ontdek je pas wat leerlingen niet begrijpen, wat te optimistisch is bedacht of waar juist meer mogelijk blijkt. 

Zijn oproep aan collega-adviseurs is daarom duidelijk: “Hou voeling met die echte praktijk.” 

Dat kan door langere tijd met een school samen te werken, een demonstratieles te geven, mee te lopen met een directeur of zelf te ervaren hoe een didactische aanpak in een klas uitpakt. 

Daar staat juist de kracht van een externe adviseur tegenover. Die kent andere scholen, andere situaties en brengt een perspectief mee dat binnen één school niet vanzelf ontstaat. “Dat is iets wat een school nooit zelf georganiseerd krijgt. Dus daar voegen we echt iets toe.” 

Maar beide kanten zijn nodig. “De waarde daarvan wordt pas echt groot op het moment dat je ook een stukje onderdeel bent van die schoolpraktijk zelf.” 

Nieuwe kerndoelen geven richting. Maar uiteindelijk verandert onderwijs niet op papier. Het verandert door wat leraren, schoolleiders en adviseurs er iedere dag van weten te maken. 

Aan de slag met de nieuwe kerndoelen?

De nieuwe kerndoelen vertalen naar de eigen onderwijspraktijk vraagt om bewuste keuzes. De leden van Onderwijsontwikkeling Nederland ondersteunen scholen bij curriculumontwikkeling en de implementatie van de nieuwe kerndoelen.

Bekijk hier informatie, praktische hulpmiddelen en ondersteuning bij de implementatie van de nieuwe kerndoelen.

Nieuwe kerndoelen zijn nog geen nieuw curriculum